Inleiding
De NVAVG onderschrijft het belang van een veilige werkomgeving voor werknemers. Deze veiligheid omvat méér dan alleen het voorkómen van een COVID-19 besmetting.
Tijdens de huidige epidemie, waarin de prevalentiecijfers van COVID-19 besmettingen in snel tempo oplopen, kan er een spanningsveld ontstaan tussen infectiepreventie en het leveren van goede zorg aan de cliënt, rekening houdend met zijn/haar beperkingen.
De doelgroep binnen de gehandicaptenzorg is divers op verschillende gebieden: cliënten, medewerkers, zorgvraag, zorglocaties en organisaties.
Daarbij komt dat in de gehandicaptensector er ook zorg wordt verleend aan cliënten die als niet kwetsbaar worden beschouwd voor een ernstig verloop van COVID-19. Cliënten kunnen grote problemen ondervinden door de inzet van preventief PBM (persoonlijke beschermingsmiddelen), zoals cliënten die slechthorend of doof zijn, cliënten met psychiatrische problemen en/of met moeilijk verstaanbaar gedrag. Dit impliceert dat het preventief gebruik van PBM in de gehandicaptensector om maatwerk vraagt.
Algemene uitgangspunten
Zorgorganisaties, medische diensten/artsen en overige betrokkenen werken samen om optimale bron-, collectieve- en hygiëne maatregelen toe te passen. Het doel van dit samenhangende pakket van maatregelen is om het restrisico zoveel mogelijk te reduceren. Schaarste speelt geen rol bij de afweging van inzet van (preventieve) PBM.
Standpunt van de NVAVG t.a.v. inzet PBM bij (verdenking op) een COVID-19 besmetting
Bij (verdenking op) een COVID-19 besmetting dient adequaat PBM gebruikt te worden ter bescherming van personeel tijdens zorg binnen 1,5m, conform de geldende richtlijnen. Het afwegingskader inzake preventief gebruik geldt niet in deze gevallen.
Standpunt van de NVAVG t.a.v. inzet preventief PBM
De overweging om preventief PBM in te zetten vindt plaats op basis van de transmissiekans van niet herkende of asymptomatische patiënten. Het streven is dat medewerkers in de gehandicaptensector de landelijke adviezen volgen t.a.v. de inzet van preventief PBM. Het is hierbij relevant dat hoe hoger de prevalentie in de maatschappij is, hoe hoger de prevalentie van niet herkende of asymptomatische patiënten is, hoe groter de urgentie van preventief PBM gebruik is. Indien de COVID-19-prevalentie in de regio afneemt en het transmissieniveau wordt afgeschaald naar ‘waakzaam’, dan kan het preventieve PBM gebruik weer gestopt worden.
Indien de veiligheid, het welzijn van medewerker of cliënt of behandelrelatie niet is gediend door preventief PBM-gebruik, kan daar onderbouwd van worden afgezien.
Er sprake is van een multidisciplinair afwegingskader waarin zorg op maat wordt afgestemd. Hierin kunnen worden betrokken: (persoonlijk) begeleiders, gedragsdeskundige, teamleider, verwanten en eventueel arts.
Preventieve maatregelen dienen in dit afwegingskader beoordeeld te worden op doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. In dat afwegingskader wordt bekeken of de inzet van andere maatregelen dan een mondneusmasker een oplossing biedt, zoals het inzetten van een face-shield, spatschermen of beperken van contacten.
In de groepsgebonden zorg aan cliënten wordt multidisciplinair een besluit genomen ten aanzien van het gebruik of afzien van preventief PBM. Indien dit voor individuele medewerkers vanwege eigen kwetsbaarheid of overtuigingen problemen oplevert wordt hiervoor maatwerk geadviseerd.