Inhoud van de richtlijn

Deze richtlijn geeft de oogarts en andere verwijzers handvatten en verwijscriteria om het diagnostisch proces bij een kind met verdenking op CVI in multidisciplinair verband vorm te geven. Bij deze kinderen, die meestal meervoudig beperkt zijn, is objectieve diagnostiek naar CVI nodig omdat er weinig signaleringsmogelijkheden zijn voor ouders en verzorgers. Een adequate en tijdige verwijzing bij kinderen met verdenking op CVI is van belang voor het kind en de ouders en zal de revalidatie verbeteren. Daarnaast heeft de richtlijn ook als doel om zorgprofessionals die in de zorgketen van CVI betrokken zijn te informeren.

Belangrijke wijzigingen voor de praktijk

In de huidige richtlijn is er naast de signaleringstaak in de 1e lijn en bij revalidatiearts en kinderarts en kinderneuroloog ook een “detectie taak” neergelegd bij de perifere oogarts. Na een gestructureerde anamnese (specifiek voor CVI) en na verwerking van de neurologische voorgeschiedenis (indien aanwezig) kan de perifere oogarts samen met de orthoptiste een aantal oogheelkundige onderzoeken uitvoeren waarna de diagnose CVI kan worden gesteld. De primaire verantwoordelijkheid voor de diagnose is daarmee mede bij de oogarts belegd (zowel in de 1e lijn als in academische centra en instellingen). Daarnaast is aanbevolen wanneer (bij CVI met onduidelijke etiologie) de oogarts alsnog samenwerking moet zoeken met de neuroloog.

Bij deze richtlijn is als hulpmiddel ook een stroomschema gemaakt. U vindt deze aanverwante producten aan de rechterzijde van de pagina (onder aanverwante producten).

Bekijk de richtlijn.